02 :: 'Darmstadt, wir haben ein Problem'

Userpica

NASA kennen we allemaal, maar dat er aan deze kant van de Atlantische Oceaan even indrukwekkende ruimtevaartprestaties worden geleverd, weet vrijwel niemand. Windvlagen, methaandampen, glooiende berghellingen en een oranje landschap met stijf bevroren ijs; Europa’s ruimtesonde Huygens landde begin dit jaar succesvol op Saturnusmaan Titan. NASA’s broertje ESA juicht, maar kennelijk niet hard genoeg.

door Govert Schilling

‘Door dit soort successen worden we beslist serieuzer genomen in de internationale arena’, zegt chief scientist Bernard Foing van de Europese ruimtevaartorganisatie ESA. Een zachte landing op de maan van een planeet, op ruim één miljard kilometer afstand van de aarde, dat heeft de Amerikaanse NASA nog nooit gepresteerd. Feest dus, in het Europese vluchtleidingscentrum ESOC in Darmstadt, op 14 januari jongstleden.

Hoewel, we blijven natuurlijk nette Europeanen. Gedistingeerde grijze mannen in strakke pakken. Er worden handen geschud, het glas wordt geheven, maar het zijn geen Amerikaanse toestanden zoals vorig jaar bij NASA’s Jet Propulsion Laboratory in Pasadena, toen jonge wetenschappers in T-shirt, jeans en sneakers op de tafels dansten vanwege de geslaagde landing van twee Marskarretjes. Chauvinisme is in Europa ook al ver te zoeken. Natuurlijk was de Titanlanding in het nieuws, maar niet met een trotse kop in kapitalen op de voorpagina of als openingsbulletin van het journaal. Zo Europees voelen we ons nu ook weer niet.
Misschien is dat wel de grote makke van de European Space Agency (ESA): Europa is een abstractie, dus we hebben niet het gevoel dat ESA ‘van ons’ is. NASA kennen we allemaal, maar dat er aan deze kant van de Atlantische Oceaan even indrukwekkende ruimtevaartprestaties worden geleverd, weet geen mens. ‘De pr van NASA profiteert met terugwerkende kracht nog steeds van de spectaculaire maanrace met de Russen in de jaren zestig’ zegt Gerhard Schwehm, hoofd planeetonderzoek bij ESA. ‘Maar het tij keert, mede dankzij successen als die van Huygens.’

Europese poort naar de ruimte
ESA is in elk opzicht het kleine broertje van NASA. Jonger, armer, en opgegroeid in de schaduw van de Amerikaanse voorloper. Al sinds de jaren zestig werken verschillende Europese landen samen aan de ontwikkeling van een draagraket en aan uiteenlopende ruimteonderzoeksprogramma’s (zie ‘Historie’). De ELDO (European space vehicle Launcher Development Organisation) en de ESRO (European Space Research Organisation) fuseerden in 1973 tot de ESA, een club met inmiddels vijftien lidstaten.
De Europese poort naar de ruimte – zo omschrijft ESA zichzelf. Ruimtevaart en ruimteonderzoek leveren wetenschappelijke kennis, technologische innovatie en economisch gewin op, en daar moet Europa van meeprofiteren. En dus bouwt Europa zijn eigen satellieten, onder andere voor onderzoek aan de aarde, de planeten en de kosmos, en is er een eigen draagraket, de Ariane. En natuurlijk is ESA een belangrijke partner in internationale ruimtevaartprojecten, zoals het International Space Station.

Meeliften
Helaas is ESA niet alleen kleiner en armer dan NASA, maar ook politieker en bureaucratischer. Vijftien regeringen bepalen de toekomst; er wordt nauwgezet op toegezien dat landen die veel bijdragen (zoals Frankrijk, Duitsland en Italië) ook meer industriële contracten krijgen; beleidsstukken en persberichten moeten in tien talen worden vertaald. Dat komt de daadkracht niet altijd ten goede. Daar komt nog bij dat wetenschappelijke instrumenten, zoals de camera’s en spectrometers aan boord van Huygens, niet door ESA zelf worden ontwikkeld, maar door autonome instituten en universiteiten in de verschillende lidstaten.
Toch vormt de dikte van de portemonnee het grootste en belangrijkste onderscheid tussen NASA en ESA. ESA’s jaarbudget bedraagt een kleine drie miljard euro; NASA geeft per jaar vijf keer zo veel uit. ‘Op het gebied van kwaliteit kunnen we de competitie met NASA goed aan’, zegt Schwehm, ‘maar als het om het aantal ruimtevluchten gaat, blijven we natuurlijk ver achter.’ Het resultaat is dat ESA nog steeds niet zonder NASA kan. Zo kostte het Huygens-project een slordige 260 miljoen euro, maar de landing op Titan was natuurlijk nooit mogelijk geweest als Huygens niet mee had kunnen liften naar Saturnus aan boord van de peperdure Amerikaanse planeetverkenner Cassini.
Ook op het gebied van de bemande ruimtevaart is Europa afhankelijk van zijn grote broer. De ontwikkeling van een eigen spaceshuttle, Hermes geheten, werd begin jaren negentig gestaakt, en zonder het International Space Station zou André Kuipers vorig jaar gewoon met beide benen op de grond zijn gebleven. Daar staat tegenover dat Europa met zijn succesvolle Ariane-raket een sterke positie heeft in de commerciële satellietmarkt. Begin februari werd de opgevoerde Ariane 5 met succes gelanceerd, en dat Europese ‘werkpaard’ kan heel goed de concurrentie aan met de Amerikaanse Delta 4 en Atlas 5.

Mijlpalen en wapenfeiten
Op technologisch vlak doet ESA nauwelijks voor NASA onder, aldus Foing, hoewel er in Amerika sprake is van veel meer militaire spin-off. Zo kan NASA soms gebruik maken van nieuwe detectortechnieken die enkele jaren eerder met veel geld door het Pentagon zijn ontwikkeld – iets wat voorlopig op Europees niveau niet denkbaar is. De competitie in de Europese ruimtevaartindustrie, vooral tussen de drie grootste ESA-lidstaten, maakt echter veel goed. ‘Wij houden ze wel wakker’, zegt Foing.
Foing is als wetenschappelijk projectleider van de Europese maanverkenner SMART 1 vooral trots op de ionenmotor – een revolutionaire aandrijftechniek waarmee NASA ook heeft geëxperimenteerd. Met een ionenmotor kan interplanetaire ruimtevaart veel goedkoper en flexibeler worden, al moet je wel wat meer geduld hebben. Zo deed SMART 1 er ruim een jaar over om in een baan om de maan terecht te komen. Ook op het gebied van zonnepanelen, spectroscopie en ruimterobotica blaast Europa een flinke partij mee. En bij ESA’s technologiecentrum ESTEC in Noordwijk staat Jules Verne klaar – de eerste van een reeks volautomatische vrachtschepen die vanaf volgend jaar op en neer gaan pendelen naar het International Space Station.
Wetenschappelijke mijlpalen en wapenfeiten zijn er inmiddels volop (zie ‘Mission log’). Europa lanceerde de eerste röntgen- en gammasatellieten (Exosat en COS-B); de ruimtesonde Giotto was de eerste die een komeet van nabij onderzocht (de beroemde komeet Halley, in 1986), en Hipparcos maakte vanuit een baan om de aarde de nauwkeurigste stercatalogus ooit. De Europese kunstmanen XMM-Newton en Integral zijn momenteel de gevoeligste ruimtetelescopen voor kosmische röntgen- en gammastraling, en aan de revolutionaire infraroodtelescoop Herschel en de ‘oerknalsatelliet’ Planck wordt hard gewerkt. Overigens is ook de succesvolle Hubble Space Telescope voor vijftien procent Europees.
Planeetonderzoeker Schwehm is natuurlijk vooral in zijn nopjes met de recente Europese successen binnen ons eigen zonnestelsel. De landing van de Huygens-capsule op Titan was ‘een fantastisch succes, waarmee we hebben aangetoond dat we tot dit soort ingewikkelde missies in staat zijn’, zegt hij. Ruim een jaar geleden ging Schwehms troetelkindje Rosetta op pad – een ruimtesonde die in 2014 een landing zal maken op de kern van een komeet. En de Europese Mars Express, die sinds december 2003 in een baan om de rode planeet cirkelt, levert de ene wetenschappelijke doorbraak na de andere.

Futuristische plannen
‘Of de recente successen op korte termijn ook tot een ruimer budget leiden, is echter zeer de vraag’, zegt Schwehm. Eind 2005 wordt de Europese Venus Express gelanceerd, maar daarna zal het waarschijnlijk lang stil blijven binnen ESA’s planeetonderzoek. Wat de verkenning van de ‘diepruimte’ betreft – de wereld van sterren, zwarte gaten en de oerknal – staan verschillende projecten op stapel (sommige in nauwe samenwerking met NASA), maar als ESA’s wetenschapsbudget van ca. 370 miljoen euro de komende jaren niet substantieel toeneemt, lijken ingrijpende vertragingen in een aantal van die programma’s onvermijdelijk.
Desondanks wordt er hard gewerkt aan futuristische plannen, zoals een Marslander die op zoek gaat naar leven; een gigantische ruimtetelescoop die planeten bij andere sterren in beeld moet brengen, en zelfs een bemande vlucht naar Mars. ‘Daarbij is internationale samenwerking een vereiste’, zegt Foing. ‘Een basis op de maan of een bemande vlucht naar Mars zijn enorme mijlpalen in de geschiedenis van de ruimtevaart, en in goed overleg met de Verenigde Staten moeten we definiëren welke bouwstenen Europa het best kan leveren.’ Zelf denkt Foing dan onder andere aan de robotverkenning van de maan en de ontwikkeling van onbemande Marslanders.

Of die internationale samenwerking per se met NASA moet gebeuren is overigens nog maar de vraag. De Europese lanceerbasis bij Kourou in Frans Guyana wordt momenteel geschikt gemaakt voor de lancering van Russische Sojoez-raketten, en op wetenschappelijk gebied werkt ESA al samen met de nieuwe ruimtevaartgrootmacht China, die later dit jaar een tweede bemande vlucht zal uitvoeren en plannen heeft voor bemande reizen naar de maan. Wie weet kijkt ESA de komende decennia iets vaker naar het oosten dan naar het westen. Maar bovenal vooruit, en omhoog.

door Erwin van der Zande, 01-10-2005 19:54 33298 views
The Bright Bunch
inloggen aanmelden

Wie is nu Hier?

Er zijn momenteel 6 Bright Bunch leden en 71 bezoekers online.

   

   

Gebouwd en onderhouden door joep-i.nl