06 :: De Toekomst van Design (en andersom)

tags:
Userpica

Wat doet een cyberpunkpionier en gevierd sciencefictionschrijver als designdocent op prestigieuze kunstacademies in Europa en Amerika? Bright zaagde Bruce Sterling door over de lepeltjes van Thomas Jefferson, websites die je op een stuk kauwgom kunt sproeien en zijn nieuwe non-fictieboek over design Shaping Things.

door Rogier van Bakel


Wat is het eerste waar je aan denkt bij het woord design?
Aan de designers, de vakmensen zelf. Ik mag ze graag, designers, museumcuratoren en creatieve mensen in de grafische industrie, een paar productingenieurs, en zelfs zo nu en dan een opdrachtgever. Ik stel ze me voor als een aantal gelijkgestemden die met passie over het vak discussiëren, ergens in een chic stadje in de Alpen of de Rockies, terwijl ze van hun wine-spritzers nippen. Dat is meest positieve aspect van design: dat springlevende, creatieve milieu. Ze zijn zo verdomd beschaafd, die lui. Hoe kun je dat nou niet aantrekkelijk vinden?

Aan de Art Center College in Pasadena en de European Graduate School in Zwitserland doceer je tegenwoordig Media & Design. Wat vind je interessant aan de schakel tussen die twee velden?
Om te beginnen is er een bloeiende discipline die ‘media design’ heet, een vak waarin je designvaardigheden gebruikt om bijvoorbeeld een website te ontwerpen die normale mensen zonder problemen kunnen navigeren. Die studierichting resulteert nog steeds in radicale vernieuwing, ondanks de vijandige houding van overheid en bedrijfsleven.
Media en design hebben ook met elkaar te maken op een vlak waar ik steeds meer in geïnteresseerd ben: de interpenetratie van digitale media en industriële productie. Mijn vader was werktuigbouwkundig ingenieur. Veertig jaar geleden legde hij me uit dat door hij door het toevoegen van informatie aan een chemische fabriek - door betere sensors in het systeem te installeren - de efficiency zo kon opvoeren dat de fabriek 95 in plaats van negentig ton kunstmest produceerde. Dat was ongelooflijk, want het betekende dat pure getallen, gewichtloze enen en nullen, vijf ton echte, tastbare materie hadden gecreëerd. Geen woorden of nummers of plaatjes, nee, materie, zakken kunstmest. Planten konden die kunstmest consumeren. Wij konden die planten consumeren. Plotseling zat daar niks gewichtloos of platonisch meer aan. Het was data, wat brood werd dat je kunt eten.
Nu zijn we een hybride elektrowereld aan het creëren vol van RFID-chips en spray-on elektronische inkt. Ik maak de wereld nog mee waarin een stuk kauwgom met een website besproeid is; een wereld waarin het web de fysieke omgeving zo grondig penetreert dat onze kinderen niet eens meer de moeite zullen nemen om het onderscheid te maken.

Wat leren studenten van jou en wat jij van hen?
Ik laat ze graag nadenken over takken van industrie die nog niet bestaan. Veel jonge designers beseffen niet dat je interessante dingen kunt doen door de toekomst in te kijken: het voorspellen van de consumentenvraag bijvoorbeeld en het beredeneren welke soorten bedrijven in de nieuwe economie zullen hongeren en welke zullen omkomen, zoals oliemaatschappijen.
Designers denken graag na over vorm en stijl, en niet zozeer over tijdsverloop en verandering. Ik praat bij voorkeur over zaken die andere docenten niet of nauwelijks aan de orde stellen: marktleiders versus nichefirma’s, innovatiedilemma’s, consolidering van hele takken van industrie, hypecycles, dat soort dingen. Ik wil niet dat mijn studenten leren om voorwerpen allereerst te begieten met een mooi designsausje, ik wil dat ze de bredere verbanden zien.
Het belangrijkste wat ik van hen heb geleerd is dat ik oud genoeg ben om les te geven.

Je jongste non-fictieboek, Shaping Things, is een neerslag van je denken over design. Je introduceert het concept ‘spimes’. Wat is een spime?
Er bestaan nog geen echte spimes: het zijn vooralsnog speculatieve en denkbeeldige objecten. Maar je kunt spimes definiëren als voorwerpen die zo grondig getraceerd worden en die door zoveel digitale informatie worden ondersteund, dat die data belangrijker worden dan het voorwerp zelf.
Een onvolkomen voorbeeld uit het hier en nu, een soort spime-voorbode, is dat zelfs een eenvoudige fles wijn een website heeft waarop je kunt nalezen waar en hoe de wijn gemaakt is. Mijn wijnkennis wordt zodoende uitgebreid, ik leer een paar woorden in een vreemde taal, ik krijg een plaatje van een ver dorp in Italië of Argentinië op mijn scherm. De fles wijn is een informatiesysteem geworden en ik ben gepromoveerd van consument naar eindgebruiker. Al die informatie - de streepjescode, de waarschuwingen tegen misbruik, de webpagina’s - zijn niet zomaar wat frivole extraatjes. Ze zijn een voorproefje van de dingen die komen gaan. Etiketten bevatten over een paar jaar RFID-tags, microscopische datalabels die je vertellen op welke dag de wijn gebotteld is en door wie, en wie de druiven plukte. Ik kan bepalen of ik wel wijn wil drinken die bijvoorbeeld vervaardigd is door hongerige, onderbetaalde Albanese gastarbeiders.
Vooral designers gaan zich met deze nieuwe informatiesystemen bezighouden, omdat designers vrijwel als enige het mandaat hebben om grondig over het wezen van commerciële objecten na te denken.

Designers, zoals iedereen in de toegepaste kunst, willen altijd iets nieuws maken, innoveren. Is dat niet een nogal wanhopig doel in plaats van een middel? Zijn sommige voorwerpen misschien uitontwikkeld? Ik bedoel, is er werkelijk iets beters aan een theepot uit 2005 dan aan een theepot uit 1805?
Mensen willen zich niet neerleggen bij een theepot uit 1805. Thomas Jefferson had indrukwekkend mooie theelepels. Ik heb ze gezien. Puur zilver, vol strenge republikeinse soberheid. Met Jeffersons bestek kon je net zo goed je bosbessenyoghurt naar binnen werken als met een in China geproduceerd massalepeltje dat je anno 2005 in je lokale Target (een Amerikaans prijsstuntwarenhuis, RvB) kunt kopen. Maar Target verkoopt die Jefferson-lepeltjes niet, en als ze dat wel deden zou er haast geen markt voor bestaan. Theelepeltjes zijn nog minder gecompliceerd dan theepotten, en toch zijn ze niet uitontwikkeld. Waarom? Omdat ook een miezerig, schijnbaar onbetekenend lepeltje z’n tijdperk weergeeft, compleet met Zeitgeist-waarden en sociaal-politieke boodschappen.

Je gelooft niet in tijdloos design?
Elk willekeurig object is een bevroren vracht sociale verhoudingen. Groepen gebruikers, sociale verwachtingen, de wet, de economie, opvattingen over moraliteit, dat alles bepaalt het lot van een voorwerp. Die factoren zijn absoluut niet tijdloos. Ontwerpers die naar tijdloosheid streven krijgen meestal maar één resultaat: een sobere, elegante, ingetogen, straklijnige, buitengewoon functionele 8-track-speler.

Ben je als sciencefictionschrijver ook een ontwerper?
Nee, ik ben net zo min een ontwerper als ontwerpers doorgaans sciencefictionschrijvers zijn. Ik heb wel ooit een lamp ontworpen, alleen om aan te tonen dat ik het kon. Dat ding was niet afschuwelijk, maar ook niet goed. Maakte ook niet uit: ik had er lol in en de opdrachtgever was tevreden met mijn werk. Maar ik heb geen aanleg voor vorm. Het zou bar en boos zijn als ik mezelf het label ‘ontwerper’ zou laten aanleunen; dat kan je vergelijken met een aanstormend romancier die nauwelijks een werkwoord kan vervoegen maar wel opschept over zijn invloed en vaardigheden: Yeah, me and Bill Shakespeare, man!

In hoeverre hebben artiesten en ontwerpers invloed op hoe wij over de toekomst nadenken?
Nou, ik weet wel dat ontwerpers mij in elk geval wel beïnvloed hebben, maar dat hoeft niet hun doel te zijn. Het is zelfs contraproductief voor ze als ze proberen de toekomst te ontwerpen voor de massa als een of andere bolsjewieke sociale ingenieur.

Er hebben altijd wel designverwijzingen in je literaire werk gezeten. Waarom eigenlijk?
Klopt. De heldin van mijn roman Heavy Weather is een ontwerpster van user interfaces. De karakters in Holy Fire halen allerlei designcapriolen uit. Ik vind dat een futuristische tekst waarin design en designers een rol spelen een meer kleurrijk, betrokken, hands-on resultaat oplevert dan een verhaal waarin iedereen natuurkundige of astronaut is.

Net als schrijvers zijn designers welbeschouwd probleemoplossers. Er is altijd een obstakel, vormelijk dan wel narratief, dat op een creatieve manier het hoofd geboden moet worden. Is dat waar de verwantschap vandaan komt?
Dat heb je wel aardig geobserveerd, maar toch verzet ik me daartegen. Het is een grove fout om de menselijke conditie te beschouwen als een reeks problemen waar oplossingen voor verzonnen moeten worden; en fictie die barst van de ouderwetse dramabogen en plottwists is doodgeboren en banaal. Die verhalen die ik schrijf vergroten idealiter de emotionele en intellectuele opties van de lezer. Het plaatsen van hangsloten op de ramen en deuren van de tekst, dat is het laatste wat ik wil.

Wat zal de komende decennia de drijvende kracht achter design zijn? Stijl? Gebruiksgemak? Duurzaamheid? Groene overwegingen? Iets anders?
Nou, tot ongeveer 2060 zal het allemaal draaien om een overschot aan bevolking en een tekort aan grondstoffen. De dingen die jij noemde zijn de aantrekkelijk ogende wortels waar we allemaal achteraan sjokken, maar de crises waar ik het over heb zijn de twee dikke, lelijke zwepen die ons een pak ransel verkopen totdat we eindelijk ons gedrag veranderen.

Zullen ontwerpers taken ondernemen die groter en belangrijker zijn dan kleren, kantoormeubelen, en computers? Zie je een rol voor designers in het bestrijden van oorlog en armoede, schade aan onze ecosystemen, en andere Grote Plannen?
Ik denk dat we een paar megalomane exercities zullen zien in de trant van, ‘Hey, laten we Irak binnenvallen en hun olie-inkomsten gebruiken om de vrije markt in het Midden-Oosten te laten zegevieren!’ Maar dat soort van bovenaf opgelegde Manhattan Projects en Apollo-avonturen hebben vaak nogal gemengde resultaten. Waar design werkelijk goed in is, is niet een soort megalomaan Bauhaus-Gesamtkunstwerk, maar het snel ontwikkelen van nieuwe prototypen, met veel mislukkingen maar ook een paar opzienbarende successen.
Ik vermoed dat toekomstig succes voor design ligt in kleinschalige maar intelligente proefprojecten die je van de grond kunt krijgen met kleine, ondernemende teams, maar die je vervolgens op grote schaal kunt toepassen. We moeten met z’n allen als het ware gewoon een hoop lucifers afsteken en om ons heen gooien, en klaar zijn om enthousiast ‘ja’ te roepen als er iets vlamvat.

Hoe sta je tegenover de notie van ‘global design’ zoals die met name door Bruce Mau is verwoord?
Sommige van zijn collega’s vinden hem een tikje grootheidswaanzinnig, maar ik ben nogal een aanhanger van de man. De Mau-frase ‘massive change’ is heel toepasselijk. We krijgen inderdaad met enorme veranderingen te maken en ik denk dat de meeste mensen - ook ontwerpers - veel te kleinschalig denken, half verlamd als ze zijn door beslommeringen als de dotcomcrash en de angst voor terrorisme. Er breken regelmatig stukken ijs van de Noordpool af ter grootte van de staat Texas. Daar mogen best globale oplossingen tegenover staan.

Als je boeken leest van drie of vier decennia geleden die beweerden de toekomst te voorspellen – ons tijdperk – dan is het bijna komisch om te zien hoe ver ze ernaast zitten. Maak je je nooit zorgen dat die website-op-kauwgom het equivalent wordt van de bewegende trottoirs waarvan futurologen in de jaren zestig zo overtuigd waren?
Helemaal niet. In het prille begin, de jaren twintig, richtte zowel design als sciencefiction zich voornamelijk op wonderbaarlijke dingen, snelheid, spektakel. Sla de ontwerpen van iemand als Norman Bel Geddes er maar eens op na, een designer die fantaseerde over onwaarschijnlijk grote vliegtuigen en dammen waar je woningen in zou kunnen bouwen. Wat design en sciencefiction vooral deelden was hun onvoorwaardelijke liefde voor gadgets. Design moet het hebben van glamourobjecten, terwijl sciencefiction allang dweept met rayguns, robots, tijdmachines en raketschepen - dingen die gemeen hebben dat jij en ik, de lezers, ze nooit zouden bezitten.
Maar wat dan nog? Als ik terugkijk op de voorspellingen uit eerdere decennia, denk ik nooit, ‘Tjonge, wat zaten die stonede idioten er kilometers ver naast.’ Ik denk eerder, ‘Wow, wat hadden die lui een enorme inventiviteit en verbeeldingskracht, terwijl wij in donkere, beschamende tijden leven waarin fundamentalistische mullahs de dienst uitmaken.’

Je had het eerder over de internet-vijandige houding van de politiek. Waar zie je die?
Nou, vergelijk de booming tijden van de Clinton-Gore-informatiesupersnelweg maar eens met de online fallujah van spam en spyware waar we nu dagelijks mee worden geconfronteerd. ‘Goedaardige verwaarlozing’ is nog een te vriendelijke omschrijving. We worden geregeerd door een coalitie van olierenteniers en christelijke fundamentalisten die wetenschappers en andere slimme mensen haten.

Wat zou je willen ontwerpen, of wat zou je een ander idealiter voor je laten ontwerpen?
Alles wat de nagel aan de doodkist kan worden van de olie- en kolenindustrie.


Cyberpunkpionier Bruce Sterling maakte naam als een van ’s werelds meest begaafde sciencefictionschrijvers met romans als Distraction en The Zenith Angle. Hij publiceerde ook geroemde non-fictie zoals The Hacker Crackdown. Zijn nieuwste boek, Shaping Things, is een non-fictiewerk over de toekomst van industrieel design en de maatschappij.


door Erwin van der Zande, 07-12-2005 14:22 4541 views

The Bright Bunch

The Bright Bunch
aanmelden

Wie is nu Hier?

Er zijn momenteel 6 Bright Bunch leden en 265 bezoekers online.

Classics