Garanties, helpdesks, elektronicaverzekeringen, ze bestaan allemaal niet in de bergketens tussen Pakistan en Afghanistan. Maar wat te doen als je camera en laptop het loodje leggen in de woestijn? Ayatollah Musa belandde op legendarische smokkelmarkten. De kogels vlogen hem om de oren. Voor Bright schreef hij zijn reisverhaal.
door Ayatollah Musa
Een zeven uur durende vlucht met krijsende baby’s, onbeschofte stewardessen en het vreselijke vliegtuigvoedsel van Pakistan International Airlines voert mij naar Islamabad. Ik ben onderweg naar Pakistan om onderzoek te doen voor een boek over de verzwegen volkerenmoord op het Hazara-volk uit Afghanistan. Hoewel ik eerder in Pakistan ben geweest, voelt deze reis intiemer. Mijn grootouders, ook Hazara, zijn decennia geleden Afghanistan ontvlucht. Ik ga nu terug om hun verhaal op te tekenen.
Het zit niet mee. Op internationale vliegvelden heeft mijn naam weinig voordelen en ik schijn verrassend veel overeenkomsten te vertonen met een zelfmoordterrorist. Zo draag ik steevast een handzame koffer bij me, volgepropt met in een röntgenapparaat moeilijk te plaatsen elektronica: camera’s, laptop, kabels, mobiele telefoon, reservetelefoon, verrekijker, flitsen, accu’s, noem maar op. Als moderne verslaggever moet je van alle markten thuis zijn, met als consequentie een extra koffer vol apparatuur. Na twee uur passen en proppen heb ik hem dicht gekregen, maar als de douanebeambte klaar is de boel overhoop te halen, heb ik daarvoor slechts twee minuten de tijd.
Lijfwacht en privéchauffeur
Na een tussenlanding in de noordelijk gelegen hoofdstad Islamabad vervolg ik mijn reis naar Quetta in de zuidwestelijke Pakistaanse provincie Balochistan, de stad waar mijn voorouders na hun vlucht uit Afghanistan aankwamen. Quetta ligt nabij de grens met zowel Iran als Afghanistan en vervult een verzwegen spilfunctie in de smokkelindustrie van drugs, wapens, elektronica en mensen. Want nog steeds heeft de stad de ondankbare functie als transithaven voor vluchtelingen. De provincie Balochistan is een van de meest onherbergzame gebieden van Pakistan. Een ruig rotswoestijnlandschap met een geschiedenis van wrede oorlogen en willekeurige aanslagen. Een eenzame lemen hut geflankeerd door kamelen siert het landschap. De zon staat er hoog en brandt genadeloos. Het is de laatste jaren niet altijd even veilig om in je eentje door deze provincie te reizen. Aanslagen en roofovervallen door religieuze terreurgroepen en separatisten maken dat ik waar nodig lijfwachten inhuur en in elk geval een privéchauffeur. Geen overbodige luxe, zo zou blijken.
Op weg naar een locatie waar ik vooronderzoek ga doen, rij ik met mijn chauffeur Mehdi naar een klein woestijngehucht in het zuidwesten van de provincie. De lange autorit is tekenend voor mijn verblijf in Pakistan. De airconditioning begeeft het en zowel mijn fotocamera als mijn laptop weigert ondanks een nieuwe set opgeladen accu’s aan te gaan. Stofwolken en een hobbelige weg zijn blijkbaar funest voor de elektronica. Over mijn bestanden maak ik me niet zo’n zorgen, een harddisk is bijna altijd wel te fiksen. Vervelender is dat ik zowel mijn laptop als mijn camera nodig heb voor mijn onderzoek.
Bij terugkomst in de stad loop ik vertwijfeld het winkeltje binnen van een goede vriend. Ik heb er weinig vertrouwen in. Een stoffige stad met open riolen kan onmogelijk de plek zijn waar men op de hoogte is van de nieuwste elektronica. De vriend van me is overtuigd atheïst en heet ironisch genoeg Moslim. Een achternaam heeft hij niet, zoals zo velen in Pakistan. ‘Maak je geen zorgen, dit is het land van de onbegrensde mogelijkheden: alles komt goed!’, lacht Moslim me toe op het moment dat zijn winkel zonder elektriciteit komt te zitten.
Er zouden in Balochistan legendarische smokkelmarkten voor allerhande gadgets bestaan. Straten vol met de nieuwste apparatuur, Apple Powermacs G5 voor onder de vijfhonderd euro, hightech videobrillen... Alles nieuw in doos en gestolen uit het Verre Oosten, gesmokkeld en verkocht voor een habbekrats in Pakistan. Moslim bevestigt het bestaan ervan en biedt aan om samen met mij de smokkelmarkten van Quetta af te struinen. Hij loodst me naar de Russische markt: een paar straten vol gestolen en gesmokkelde goederen met vooral veel cd-spelers voor in de auto en digitale camera’s. Zoekende naar een adres om m’n computer te repareren, word ik een winkeltje binnengetrokken. ‘Englishman, cheap satellite phones here, Thuraya and Iridium!’, aldus de drukke verkoper. Een Thuraya Ascom-satelliettelefoon met simkaart en beltegoed voor vierhonderd euro, nieuw in de verpakking. Dat klinkt te goed om waar te zijn. Dat scheelt duizend euro vergeleken met wat je er in Nederland voor betaalt. Wanneer Moslim de doos wil inspecteren, wordt deze grof uit zijn handen getrokken. ‘Eerst betalen dan kijken’, snauwt de verkoper. De reden voor deze agressie wordt gauw duidelijk. De telefoon blijkt een leeg, plastic demonstratiemodel te zijn en de simkaart heeft hij waarschijnlijk zelf uit een stuk plastic gesneden. Onder dreiging van de politie en geweld krijg ik mijn geld terug.
Windows Pentium 9
Je zou het niet verwachten, maar men is in Quetta behoorlijk bij de pinken wat betreft multimedia. Op elke straathoek zit een internetcafé, weliswaar met een tergend langzame ‘fast access’-verbinding van 5 kbps. De markt voor mobiele telefonie is de snelst groeiende in het land. In 2001 had één op de honderd man een mobiel, nu, vijf jaar later is dat één op de twee geworden, liefst een cameratelefoon met ten minste twee megapixels. Eigenaardig, want fotografie wordt niet bepaald door iedereen op prijs gesteld hier. Op de markt wordt mijn camera een paar keer uit mijn handen gerukt en bijna op de grond gesmeten. Een hulpvaardige man helpt ons uit de brand. Hij blijkt video- en fotocamera’s te verkopen en een enthousiaste amateurfotograaf te zijn. We nemen een korte rustpauze in zijn winkel, een hok van drie bij twee meter waar het hem is gelukt om languit te kunnen liggen en toch nog vijfhonderd camera’s uit te stallen. Zijn camera’s zijn digitaal, maar van de eerste generatie. ‘Eerste klas smokkelwaar uit Japan. Gegarandeerde kwaliteit tot aan mijn voordeur.’ De man tipt mij dat ik niet in een spijkerbroek moet rondlopen. Dat maakt mij een gewilde prooi voor oplichters. ‘Niets kopen hier! Je kent de prijzen niet en weet niet met wie je te maken hebt.’ Hij wil gelukkig wel naar mijn camera kijken, mijn laptop moet ik bij een neef van een neef van hem twee straten verderop afgeven. Na wat ingewikkeld gepriegel met schroevendraaiers en een omgebouwde stofzuiger heeft hij mijn camera stofvrij gekregen. Belangrijker nog, hij doet het weer.
De computerwinkel van de neef van een neef verderop is ook al zo aantrekkelijk ingericht. Stapels en stapels laptops (zonder verpakking), geheugenchips, videokaarten en printplaten liggen op de grond, op tafels en in kasten stof te verzamelen. Met grote twijfel besluit ik mijn laptop af te geven. Binnen een week zal hij gerepareerd zijn, ongeacht het probleem. Hoewel ik mijn computer liever elders inlever of eigenlijk helemaal niet, garanderen Mehdi en Moslim dat ze hier de beste service hebben. Ze verkopen immers ook laptops. Juist ja.
Een laptop kopen is niet het slimste wat je hier kan doen. Het belangrijkste is dat hij ‘Windows Pentium 9’ is, met minder wordt geen genoegen genomen. Iets anders dan een Pentium 9 verkopen ze dan ook niet. Nou hebben ze hier veel moderne spullen, maar Windows Pentium 9 lijkt me sterk, als het al bestond. Aan Macintosh-computers beginnen ze hier trouwens niet. Op een boekenplank ligt een oude Apple iBook, ooit gestolen van een verdwaalde toerist. ‘Waardeloze troep, ik snap niet dat Apple in Islamabad zo populair is’, vertelt de eigenaar van de winkel. ‘Het werkt niet zoals het moet werken en de desktops zijn helemaal een probleem. Je kunt je cd er niet eens uit krijgen.’
Gefrustreerd door de trage gang van zaken en het idee dat ik mijn laptop mogelijk nooit meer terugzie, haast ik me uit de winkel. Nog dezelfde dag krijg ik te horen dat mijn computer niet meer te repareren is. Moslim raadt me aan om in alle voorzichtigheid naar de smokkelmarkt van Chamman te gaan en daar een nieuwe laptop aan te schaffen. Afgaand op de omschrijving die Moslim mij geeft, is Chamman qua veiligheid gelijk aan het huidige Irak, een broeinest van afgezakte criminelen en terroristen vermenigvuldigd met de aanwezigheid van corrupte inlichtingendiensten die actief zijn aan de andere kant van de grens in Afghanistan. Zijn de markten van Quetta voor een westerling al ruig, die in Chamman zijn ronduit gevaarlijk. Er is van alles te koop, je moet er alleen niet ongewapend rondlopen.
Onder vuur
We vertrekken vroeg in de ochtend. Een oude vriend van mij en twee kennissen van hem treden tijdens de reis naar de grens op als lijfwacht, chauffeur en tolk. De dag begint slecht. Een aanslag op een zendmast heeft alle mobiele communicatie platgelegd. Op mijn vraag of ik me zorgen moet maken, wordt met een luid hoongelach gereageerd. ‘Het is maar Chamman, er zal heus niets gebeuren. We hebben ruim genoeg bij ons om weg te komen.’ Daarmee bedoelen ze een fourwheeldrive auto met een opgevoerd V12 motorblok, twee pistolen en onder de voorstoel een AK47 mitrailleur. Voor de rest, droog brood met zwarte thee in een gebarsten thermoskan als smakelijk ontbijt.
Met een aangename snelheid rijden we door de schitterende bergen van de provincie richting de grens in het westen. Maar ongeveer vijftig kilometer voor Chamman is de weg plots afgesloten. Landarbeiders protesteren op die manier tegen de overheid omdat er regelmatig dagen zijn waarop geen stroom wordt geleverd. Een beetje hypocriet: zelf elektriciteitsmasten opblazen om daarna te klagen dat er geen stroom is. Het protest blijkt echter bloedserieus te zijn. Een poging om met hoge snelheid door een opening te rijden wordt beantwoord met het gericht afvuren van machinegeweren. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik word beschoten. Gelukkig konden de boeren niet zo goed mikken.
’s Avonds slaan mijn verhalen over ons avontuur zo aan dat mijn vrienden me overhalen de volgende dag opnieuw mijn leven te riskeren en weer naar Chamman te rijden. Er zijn geen stakingen voorspeld en we zullen in een iets minder opzichtige auto reizen. Dat blijkt een Suzuki Bolan te zijn, een klein busje dat bij elkaar wordt gehouden met meters isolatietape. ‘Hij zal de aandacht van Taliban- en Al-Qaida-leden niet trekken, maar jouw behouden terugkomst kunnen we je in dit wrak niet garanderen.’ Ik lach als een boer met kiespijn.
De markten in Chamman waar elektronica wordt verkocht schelen weinig van die in Quetta. Nauwe straten met veel kleine winkels vol allerhande spullen en troep. De winkel waar we stoppen om een laptop op te pikken is van een olijk kijkende man die onder geen beding op de foto wil. Zijn vaders ziel was ooit op deze manier meegenomen door een als mens vermomde Jinn (geest). Hij laat zich niet nog een keer in de maling nemen. Naar goede traditie en respect voor mijn gastheer wordt er hete melkthee besteld. Ik leg het doel van onze komst uit: een nieuwe laptop. Met een hoop poespas haalt hij een aantal modellen tevoorschijn. Als hij ziet dat ik niet onder de onder de indruk ben, haalt hij zijn beste deal tevoorschijn, uiteraard een Windows Pentium 9. Ik hou het maar bij een saaie Asus Pentium 4, Europees model. In plaats van af te dingen begin ik op te bieden. Ik werd daarmee meteen zijn vriend, en van je vrienden neem je geen geld aan. De beleefdheid gebiedt echter mij ook niets gratis aan te nemen en dus blijf ik omhoog bieden en hij omlaag. Na een uur onderhandelen komen we uit op zijn beginprijs.
Op aanraden van de gastheer rijden we voor het donker terug naar Quetta. Daarna worden deze berggebieden echt gevaarlijk. De sfeer wordt inderdaad merkbaar grimmiger als het begint te schemeren. Ongeveer een kilometer voor de bergen houdt een forse man midden op de weg de Suzuki tegen. Ik open mijn raam om te vragen of hij pech heeft, waarop hij vliegensvlug mijn Yashica T5 van het dashboard grist, mijn analoge reservecamera. Met een fanatieke blik bukt hij naar voren, mijn camera nog in zijn hand. ‘Waar halen jullie het lef vandaan een foto van mij te maken? Jullie zijn heidenen en hebben hier niets te zoeken!’ Een gore walm van sigaretten en maanden oude tandrot komt uit zijn mond. Onze chauffeur barst los in een scheldtirade die ik niet eerder heb gehoord. Dat hij nooit eerder heeft meegemaakt dat een gast, ik dus, zo onbeschoft is behandeld. Nog steeds met de camera in zijn hand, dwingt de man mij, dreigend met zijn pistool, het rolletje eruit te trekken. Ik pak mijn telefoon, waarop de man als een waanzinnige schreeuwend vraagt wie ik bel. Als ik hem de naam noem van mijn gastheer in Chamman, laat hij verschrikt zijn pistool zakken en krijg ik mijn camera terug, helaas ontdaan van de fotorol.
Terug in Quetta bel ik de gastheer in Chamman om door te geven dat we ongeschonden thuis zijn gekomen. ‘Weet ik, we kwamen die hufter tegen. Hij zit nu vast. Kom snel weer terug, het was gezellig. Vergeet dan niet je familie en vrienden mee te nemen!’
De laatste dagen in Quetta verlopen wat rustiger, op een enkele exploderende gasfles of aanslag na. Pakistan blijft een vreemd land van tegenstrijdigheden. Je zou verwachten dat er niets te krijgen is en dat je reddeloos verloren bent als je laptop daar stuk gaat. Het tegendeel is waar. Ze hebben er van alles, soms nog eerder dan hier in Europa. Meestal niet legaal maar in de woestijn gelden andere wetten. Tijdens een van onze autoritten vertelde Mehdi een veelzeggende mop. Japan had ooit een speld gemaakt, zó klein dat ie alleen met de sterkste microscopen te zien was. De speld ging de hele wereld over, zo bijzonder was de uitvinding. Met Amerika en India voorop was iedereen vol lof over zo’n staaltje techniek. Toen het nanospeldje in Pakistan aankwam, werd het niet tentoongesteld maar werd er een boodschap in gegraveerd: Made in Pakistan.
