Waar is het gevoel dat we in spannende tijden leven gebleven? Is de digitale revolutie alweer voorbij of kijken we er gewoon niet meer van op? En wat moeten we dan? De toekomst komt er niet meer vanzelf aan, we zullen haar moeten afdwingen.
door Francisco van Jole
‘Als dat allemaal mogelijk is...’ luidde zes jaar geleden een gevleugelde kreet in de toen nog prille weblogwereld. Meestal betrof de uitspraak een spottend commentaar op een ogenpijnend lelijke website of een onhandige gadget. De sarcastische uitroep was een directe verwijzing naar de voorspelmethodes van futuristische goeroes en hun adepten die de digitale revolutie predikten en direct verantwoordelijk waren voor de dotcomcrisis die in alle hevigheid woedde. De voorspellers somden immers steevast wat nieuwe technieken op en trokken de lijn dan door: als dat allemaal mogelijk is, nou dan kan je wel bedenken wat ons in de toekomst te wachten staat; een geweldig leven voorzien van alle gemakken. Daar moest een onvoorstelbare hoeveelheid geld mee te verdienen zijn, hielden ze goudzoekers voor. Dat was prediken voor newbies, de webloggers wisten natuurlijk wel beter. Dergelijke technologische voorspellingen zouden niet uitkomen of heel anders uitpakken.
Die toekomst van toen is nu min of meer gearriveerd, maar op de weg erheen is er iets vreemds gebeurd: zowel de voorspellingen van de goeroes als het cynische commentaar van de weblogwereld zijn waarheid geworden. Er staat ons in vergelijking met tien jaar geleden een duizelingwekkende hoeveelheid technologie ter beschikking. Maar op de een of andere manier lijkt het ons helemaal niets meer te doen. We halen onze schouders erover op, als we er al aandacht aan besteden. We zijn, zou je kunnen zeggen, onze toekomst kwijtgeraakt.
Van verzet naar onverschilligheid
Erwin van der Zande, thans hoofdredacteur van Bright, voerde onder de titel Mad as Hell acht jaar geleden nog actie tegen het beperkte zenderaanbod op de Amsterdamse kabel. Directe aanleiding was dat de nieuwszender CNN uit het zenderaanbod van provider A2000 – nu UPC - werd gegooid. De zender waar we tijdens de eerste oorlog tegen Irak aan gekluisterd zaten en die voor het eerst live toonde hoe een stad als Bagdad gebombardeerd werd. Hoe moesten we onszelf nu nog informeren? Bovendien was eerder al MTV uit het aanbod verwijderd.
Van der Zande was niet de enige die boos was en in het geweer kwam. Er werd zelfs een Groot Mediadebat gehouden waar de stedelijke bevolking haar ongenoegen kenbaar kon maken. De toenmalige voorzitter van de Consumentenbond, Walter Etty, scandeerde de naam van de Amerikaanse zenders voortdurend door de zaal om de eisen kracht bij te zetten: CNN, MTV, CNN, MTV! Een jaar later, in 1999, werd het besluit teruggedraaid. Maar de beschikbaarheid van een tv-zender was kennelijk belangrijk genoeg om actie voor te voeren.
Oktober 2006. De postbode belde aan, leverde een doos van UPC af en binnen tien minuten zat ik naar digitale televisie te kijken. Hé, Fox News zit er ook op, merkte ik al zappend. Ik zag een livediscussie tussen correspondenten in Irak, Afghanistan en deskundigen in de studio. Zap. Hé, daar was 3voor12. En BBC 3 en 4. In totaal zwom ik over bijna honderd kanalen. Dat is best veel, dacht ik. Met een druk op de knop belandde ik in een spelletje, bladerde door wat video’s on demand en bekeek de elektronische programmagids. Hoeveel zenders zouden daar nog bij komen? En vooral... wilde ik die nog wel? Ik zette het apparaat uit en ging wat anders doen. De hele kennismaking met digitale televisie in mijn eigen huiskamer, een ontwikkeling waar ik ruim vijftien jaar op had gewacht, was binnen vijftien minuten bekeken. Van Van der Zande weet ik dat hij nog amper televisie kijkt. Hij geeft de voorkeur aan YouTube en dvd’s.
Die laconieke, aan het onverschillige grenzende houding is dominant onder brede groepen mensen. Revolutionaire technieken lijken voor kennisgeving te worden aangenomen. Internetten op de mobiel is gemeengoed, het doorgeven van live- of bijna-livebeelden met de mobile telefoon ook. Met de TomTom is het bijvoorbeeld mogelijk de service uit te breiden zodat je altijd weet waar je buddies zich bevinden, je ziet ze werkelijk rijden. En de eerste reactie luidt: wil ik dit wel?
Ach, weer een ruimtetoerist
Wat is er gebeurd tussen 1998 en 2006? Waarom werd er het ene moment nog actie gevoerd voor technologie en zijn we er nu binnen de kortste keren op uitgekeken. Waar is de opwinding? Zijn we blasé geworden? Zijn er de afgelopen jaren zo veel nieuwe technologieën over ons uitgestort dat we nergens meer van onder de indruk raken? Been there, done that?
Misschien. Alles went en vooral sneller dan je denkt. Een van de meest schokkende scènes uit de film Apollo 13, over een missie naar de maan in 1970 die misloopt, is dat ze de raket uiteindelijk met letterlijk houtje-touwtjetechniek terug op aarde moesten krijgen. Maar veel schokkender vond ik dat de publieke belangstelling voor de ruimtereis indertijd vrijwel nihil bleek. Het was immers al de derde keer dat er astronauten naar de maan gingen. Het futuristische ruimtetijdperk bleek de aandachtsspanne van een ADHD-kindje te hebben.
Ik was verbijsterd door zo veel desinteresse, maar betrapte mezelf op een soortgelijk gevoel bij de spacetrip van Anousheh Ansari, de eerste vrouwelijke ruimtetoerist, afgelopen september. Ach, weer een ruimtetoerist. De vierde alweer. Terwijl ruimtetoerisme decennialang als een ideaal van de verre, verre toekomst is gezien. Ja, ooit zouden niet alleen astronauten maar iedereen de ruimte in kunnen. Die toekomst is gearriveerd. Je moet er alleen voldoende geld voor hebben: ruim twintig miljoen dollar voor een trip van tien dagen. En het is meteen niet meer interessant. Niet vanwege het geld, maar omdat met de optie de fantasie verdwenen lijkt.
Wat geldt voor de ruimtevaart geldt eigenlijk ook voor alle andere toekomstdromen. Veel is of lijkt op de en of andere manier binnen handbereik. Het is allemaal zo gewoon geworden dat het omgekeerde juist moeilijk voorstelbaar wordt. Hoe ging dat dan, teksten schrijven met een typemachine? En afspreken met iemand zonder mobieltjes, hoe ging dat dan? Twee zenders op televisie, waar keek je dan naar? Hoe zette je het geluid harder en zachter zonder afstandsbediening? Hoe luisterde je naar muziek als een kant van een lp maximaal een half uur muziek kon bevatten?
Gewenning is inderdaad een verklaring voor de desinteresse, zegt Rein de Wilde, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit Maastricht en schrijver van het boek De voorspellers, waarin hij de vloer aanveegt met de zogeheten toekomstindustrie. ‘Al die beweringen over technologie worden nu veel meer gezien als verhalen dan als scenario’s. Je zou kunnen constateren dat we wijzer zijn geworden.’ Voortschrijdend inzicht dus. Tachtig jaar geleden werd er bijvoorbeeld nog van gedroomd dat iedereen een eigen vliegtuig zou hebben, maar de reality check die het massale bezit van auto’s opleverde heeft dat prikkelende ideaal ook om zeep geholpen. Iedereen een eigen vliegtuig betekent dan urenlang rondjes cirkelen voordat je mag landen. Zo niet erger.
Verlangenloos
Tegelijkertijd is het gewenningsverschijnsel geen alomvattende verklaring voor het verdwijnen van de futuristische gevoelens. Want we zijn er misschien snel op uitgekeken maar we vinden al die technologieën nog even leuk. Een nieuwe iPod is altijd cool, een nieuwe mobiel ook. Wimax, glasvezel, Blu-ray, we willen het allemaal. Maar er mist wel iets. Noem het een groter verlangen. Waar het aan ontbreekt is de begeestering, het idee dat er aan de horizon of daar voorbij een nieuwe wereld ligt. Een betere wereld vooral.
Juist die ontwikkeling is voorspeld en wel door een van de meest begaafde sciencefictionschrijvers ooit: Edward Bellamy. De Amerikaan schreef ruim 120 jaar geleden een roman over een man die uit het jaar 1887 naar de toekomst van het jaar 2000 reist. In Looking Backward, 2000-1887 werden tal van zaken voorspeld die nu gemeengoed zijn, zoals postorderbedrijven. Kort na zijn aankomst in de toekomst wordt de hoofdpersoon Julian West een kamer getoond waar via luidsprekers permanent naar de meest uiteenlopende soorten muziek geluisterd kan worden. Een visionair beeld want de radio werd pas twintig jaar na verschijning van het boek uitgevonden. Julian West kan zijn verbazing niet onderdrukken en zegt tegen zijn gezelschap:
Ik geloof, Miss Edith, dat als wij een zodanige technisch en organisatorisch volmaakte muziekdistributie tot stand hadden kunnen brengen, waarbij ieder in eigen huis kreeg, wat aan zijn smaak en zijn behoefte van het ogenblik beantwoordde, wij het toppunt van menselijk geluk bereikt zouden hebben geacht. En misschien zouden wij dan niet eens meer verdere maatschappelijke verbeteringen hebben verlangd.
Die laatste zin. Als we het genot van de ultieme techniek hebben, zegt Bellamy, dan verlangen we niet meer naar een betere wereld. Hij schreef dat in een tijd dat de wereld beheerst werd door de Industriële Revolutie en verscheurd door extreme maatschappelijke tegenstellingen. Bellamy zegt eigenlijk: als Limewire, iTunes of Bittorrent eerder hadden bestaan had het marxisme nooit een poot aan de grond gekregen.
‘Dat is al een oud idee, dat door overmatige consumptie al het verlangen gedempt wordt’, zegt De Wilde. ‘En misschien klopt het vandaag de dag ook echt voor de middenklasse. Misschien kunnen ze het gewoon niet meer bijhouden.’
Slappe toekomstvoorspellingen
Volgens De Wilde is er overigens geen sprake van dat er geen toekomstvoorspellingen gedaan worden. ‘Er worden natuurlijk nog steeds Huizen van de Toekomst gebouwd met alle bijbehorende promoties, er staat er weer een in Amsterdam. En de Tofflers bijvoorbeeld hebben net een nieuw boek uitgebracht en daar is alles weer even maakbaar als altijd.’
Alvin Toffler, de Bill Gates van de toekomstindustrie, schreef in 1970 Future Shock waarin voorspeld werd dat de mens overrompeld zou worden door snel opeenvolgende technologische ontwikkelingen. Dit jaar bracht hij met zijn al even visionaire vrouw Heidi het boek Revolutionary Wealth uit waarin ze voorzien dat we allemaal godsgruwelijk welvarend gaan worden. Die voorspelling gaat als vanouds gepaard met prikkelende, creatieve ideeën. Bijvoorbeeld dat dikke mensen een creditcard krijgen waar je geen fastfood mee kunt kopen. Of dat China verandert in een land van christenfundamentalisten.
Uit de kritieken op het boek doemt echter wel een andere oorzaak voor het gebrek aan aanstekelijk futurisme op. De Washington Post bijvoorbeeld constateerde dat het verhaal, gebaseerd op het bij elkaar schrapen van talloze ontdekkingen en snufjes, gewoon niet goed genoeg is. Het fundament – we worden rijker – is niet stevig genoeg en te weinig nieuw.
Thunderbirds op microniveau
Een vereiste voor aansprekend futurisme is dat het gebaseerd is op een imponerende techniek of ontwikkeling die onzekerheid genereert en waarvan een ieder duidelijk is te maken dat die de wereld op zijn kop gaat zetten. ‘Er is op dit moment inderdaad geen allesoverheersende technologische ontwikkeling en dat is voor futuristen een probleem’, zegt De Wilde. ‘Eerst was er de industrialisatie die sterk tot de verbeelding sprak, toen de ruimtevaart en vervolgens de digitale revolutie. Die laatste sprak zo aan omdat voor het eerst duidelijk werd dat grote omwentelingen ook in kleine dingen kunnen zitten. Dat je er geen gigantische constructies voor nodig hebt. Dat bracht de toekomst heel dichtbij.’
De futuristische technologie moet bovendien ook nog eens geschikt zijn om opgepikt te worden door de media en zich zo in de ideeënwereld te verspreiden. De industriële revolutie had de krant, de ruimtevaart sprak tot de verbeelding door de televisie en de digitale revolutie creëerde met internet zijn eigen medium.
Een ander probleem is volgens De Wilde dat de nieuwe ontwikkelingen heel specialistisch zijn en daardoor te weinig aan de fantasie appelleren. ‘Een idee als nanotechnologie en de samensmelting van mens en machine is weliswaar van alle tijden, maar doet het nu ook niet meer zo goed.’ Nanotechnologie, de benaming voor machines die zo groot zijn als moleculen en overal kunnen worden ingebracht om werkzaamheden te verrichten, is inderdaad een van de meest kansrijke revolutionaire technieken. Zo richten de verhalen zich bij voorkeur op het uitvoeren van reparaties. In het lichaam bijvoorbeeld. In plaats van operaties wordt een nanorobotje het lichaam in gestuurd dat op zoek gaat naar het defect en dat repareert. ‘Alles wat stuk is, is repareerbaar. Dat is een van de nieuwe visies en dan betreft het vooral onszelf. Niet meer doodgaan bijvoorbeeld’, merkt De Wilde op. Nanotechnologie als een soort Thunderbirds op microniveau.
Het lijkt misschien raar maar dat laatste geeft precies een andere oorzaak aan voor het gebrek aan futuristische sensaties. De Thunderbirds waren onderdeel van International Rescue, een organisatie om wereldwijd problemen op te lossen. Het was een verhaal dat aansprak omdat het over de mensheid ging, een soort universele drang om de wereld te redden. Sinds de val van de muur en vooral sinds 11 september lijkt de notie van een allesomvattende mensheid minder aantrekkelijk. De wereld is kleiner geworden, inclusief onze blik daarop lijkt het wel. Daar passen wellicht geen allesomvattende revolutionaire technologische concepten meer in. Willen we nog wel iedereen helpen? Willen we nog wel allemaal gelijk zijn?
Wending: ecotech
Zonder zo’n groot, de mens zelf overstijgend besef is er voor de technologie ook geen Thunderbirds-rol meer weggelegd. Tenzij het technologisch futurisme een wending neemt en zich bijvoorbeeld gaat richten op het redden van de planeet. Een aanwijzing voor die wending in doel is de onverwachte populariteit van Al Gore en zijn film An Inconvenient Truth waarin hij een doemscenario voor de aarde schetst maar ook duidelijk maakt dat redding nog mogelijk is. We moeten dan wel een einde maken aan de krankzinnige energieverspilling. De klimaatapocalyps is een soort naar binnen gekeerde ruimtevaart. We worden niet bedreigd door een buitenaardse intelligentie, maar door die van onszelf.
Het belangrijkste hulpmiddel om de ramp die Gore voorspelt af te wenden is technologie en daarin is inderdaad al een kentering waar te nemen. Via het met Hollywoodsterren bevolkte progressieve weblog Huffington Post bijvoorbeeld wordt actief campagne gevoerd om de hybride-auto populair te maken. Natuurlijk, de sterren dweepten wel vaker met ecologie. Maar wie de schokkende documentaire Who Killed the Elecrtic Car (zie ook Bright 12, Satelliet New York) heeft gezien over het doelbewust laten mislukken van een auto die geen benzine slurpt, begrijpt wel waarom actie nu nodig is. De auto-industrie is niet uit zichzelf geneigd met alternatieven te komen, net zo min als de platenindustrie de gangmaker achter iTunes was.
Ecotech is een aantrekkelijke futuristische gedachte. Een notebook die werkt op zonne-energie, een iPod die zichzelf oplaadt als je hardloopt, een tv die geen slaapstand heeft maar automatisch uitgaat als er niet meer gekeken wordt. Om maar een paar voor de hand liggende ideeën te noemen. En dat betreft alleen maar de apparaten. Internet zelf is natuurlijk net zo goed inzetbaar. Ebay en marktplaatsen zijn niet alleen gigantische geldmakers, het zijn ook ecowinkels die hergebruik van goederen stimuleren. Maar zo wordt er alleen zelden naar gekeken.
En dat laatste is nu net essentieel. Futuristische visies vielen tot nu toe perfect samen met de doelstellingen van bedrijven. De industriële revolutie natuurlijk maar hetzelfde gold voor de ruimtevaart waar miljarden in werden gestoken. Ecotech zou de eerste futuristische trend zijn die door de consumenten zelf wordt afgedwongen. Niet om de toekomst te veroveren, maar omdat er anders domweg geen toekomst meer is.
