
26 :: Luchtzuiverende verf
De Nederlandse chemiegigant AkzoNobel is groener bezig dan je zou verwachten. Het concern ontwikkelt verven die innovatief en duurzaam zijn.
Toen ik laatst op een Cradle to Cradle congres een spreker op de agenda zag staan van AkzoNobel, was ik op z’n zachtst gezegd verbaasd. Wat heeft een chemieconcern te zoeken op een congres dat draait om positieve economische bijdragen aan het milieu? Bij chemische industrie denk je nou eenmaal niet meteen aan ‘groen’. Sterker, alleen al bij de naam AkzoNobel dringt een scherpe geur je neus binnen en doemen beelden op van oranjekleurige waarschuwingstekens.
Toch vinden we AkzoNobel al vier jaar terug op de Amerikaanse duurzaamheidsindex Dow Jones Sustainability. Tijdens het congres hoor ik verhalen over verf die ervoor zorgt dat schepen 6 procent minder brandstof nodig hebben. Dit roept vragen op. Wat wil AkzoNobel nou eigenlijk? Gaat een voormalige vervuiler de wereld verbeteren? En waar denken ze dan, in hun sector, winst mee te kunnen maken?
Op het hoofdkantoor van AkzoNobel in Amsterdam spreken we met André Veneman, hoofd Duurzaamheid. Hij maakt al snel duidelijk dat deze ontwikkelingen juist zijn bedoeld om winst te blijven maken: ‘We doen er bijzonder veel aan om onze concurrenten voor te blijven met duurzame innovatie. Daar hebben we scherpe doelen in gesteld. Momenteel bestaat 18 procent van onze omzet uit producten die we eco-premium noemen en in 2015 moet dat 30 procent zijn. Dat zijn dus producten die een voorsprong hebben op onze concurrenten. Een watergedragen muurverf is een mooi product, maar de concurrentie maakt dat ook. Dat noemen we geen eco-premium.’
AkzoNobel wil de markt domineren met producten die iets bijzonders kunnen. Zoals een bijdrage leveren aan het verlagen van energieverbruik. Zo kan de verf Light & Space door een nieuwe pigmenttechnologie een grotere hoeveelheid licht weerkaatsen, waardoor je 20 procent minder verlichting nodig hebt. Een ander voorbeeld is Cool Chemistry, catchy naam trouwens, een verf die speciaal voor daken is ontwikkeld en zonlicht reflecteert. Dat scheelt ruimt 20 procent aan airco-energie. ‘Maar als we die 30%-doelstelling willen halen,’ vertelt Veneman ‘,dan moeten we natuurlijk veel verder kijken. Momenteel werken we in ons lab aan verf die als het warm is warmte opneemt en die warmte weer afgeeft als het kouder wordt.
We onderzoeken ook hoe we een gezonde bijdrage kunnen doen. In China, waar nog veel met multiplex en formaldehydevrijlatende houtpulp wordt gewerkt, hebben we de Dulux Anti Formaldehyde Paint op de markt gebracht. Deze verf zuivert de lucht van formaldehyde door het gebruik van microbiologie. Hebben we hier in Nederland niet echt nodig maar daar, zeker in die kleine kamertjes, wel. Op het gebied van luchtzuivering zijn er nog veel interessante mogelijkheden.’
Eco-efficiency
Toch blijft het een eigenaardig gezicht om iemand van AkzoNobel te zien op een Cradle to Cradle congres. Er is immers op dit moment nog geen product dat het C2C-label draagt bij het concern te vinden. Veneman licht toe: ‘We zitten wat Cradle to Cradle betreft nog in de beginfase. Het kan onze processen gaan versnellen. Binnenkort starten de eerste twee pilots. Ik wil niet uitsluiten dat een C2C-etiket daarvan een uitkomst kan zijn, maar een sticker op een verfpot is één ding. Cradle to Cradle is een manier van denken. Bijvoorbeeld over hoe wij samen met onze klanten stoelen kunnen maken waaraan alles klopt. Daar hebben ook wij iets aan toe te voegen. En andersom hebben wij veel aan de bedrijven die zich hier ook mee bezig houden; we zijn immers niet de enigen die worstelen met de giftigheid van kleurstoffen. Een stuk hout dat geverfd is belandt nu bij het chemisch afval. Dat is eigenlijk te gek voor woorden. Het zou hergebruikt moeten kunnen worden of brandstof kunnen opleveren.’
Dat klinkt allemaal vanzelfsprekend, als we bij een non-profit tokootje voor handgemaakte houten pollepels zouden zitten. Maar dat zitten we niet, AkzoNobel is een beursgenoteerd chemieconcern dat in het verleden een heel andere reputatie had dan het verhaal dat we nu horen. En veel bedrijven gebruiken inmiddels het ‘milieu’ als handige marketingtruc. ’Als het een marketingsaus zou zijn,’ vertelt Veneman, ‘dan was ik er niet in geïnteresseerd. Voor ons is het een kwestie van winst maken. Als je nieuwe producten, nieuwe markten bekijkt binnen de randvoorwaarden van onze planeet, dan moet je kijken naar afval, energie, emissie, water, risicovolle stoffen en noem maar op. Zeker als de economie wat lastiger wordt. Natuurlijk kijken we naar onze concurrenten, zoals Basf, DuPont en DSM. Welke verbeteringen hebben zij doorgevoerd? Hoe doen zij op het gebied van eco-efficiency, klimaatbeleid en duurzaam beheer van zoetwater? Laten we wel wezen, het gaat niet alleen om de footprint van onze fabrieken, je moet ook kijken naar de productie van grondstoffen en bijvoorbeeld welke temperatuur nodig is om verf te laten drogen. Dat vertaalt zich allemaal naar het milieu.’
André Veneman klinkt idealistisch en ambitieus: ‘Ik vind het doodzonde als iemand tegen z’n pensioenleeftijd zegt: ik wil nu iets terugdoen. Dat is te laat, je kunt ook op de plek waar je werkt iets doen. Daar is iedereen hier, van de directeur tot de onderzoeker, zich van bewust. Je kunt een bijdrage leveren aan energiebesparing, schonere lucht en slim grondstofgebruik. Dat is waar de ware winst zit: een goede omzet maken door de goede dingen te doen.’
Tekst: Diana den Held Beeld: Maurice Mikkers




