Nxtide, Pixabay

CPB: Rijkste huishoudens bezitten helft van alle zonnepanelen, energietransitie blijft ongelijk verdeeld
Nederland telt inmiddels meer dan 3 miljoen huishoudens met zonnepanelen, maar de opbrengsten van de energietransitie komen nog altijd vooral terecht bij de meest welvarende groepen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB).
Van alle huishoudens met zonnepanelen behoort ruim de helft tot de 40 procent hoogste inkomens- en vermogensgroepen. De onderste 40 procent van Nederland is goed voor slechts ongeveer een vijfde van alle zonnepaneelbezitters. Die verhouding veranderde de afgelopen jaren nauwelijks, ondanks de sterke groei van het aantal installaties.
Lagere inkomensgroep maakt nog geen inhaalslag
Tussen 2020 en 2024 verdubbelde het aantal huishoudens met zonnepanelen ongeveer, van 1,5 miljoen naar ruim 3 miljoen. Volgens het CPB heeft die groei er echter niet voor gezorgd dat lagere inkomensgroepen een inhaalslag maakten.
Niet alleen inkomen speelt een rol. Ook de woonplaats maakt verschil. Buiten de grote steden liggen aanzienlijk meer zonnepanelen op daken dan in stedelijke gebieden. Gemeenten rond steden als Amsterdam, Rotterdam, Eindhoven, Maastricht en Leeuwarden lopen duidelijk voor op de steden zelf.
Daarnaast blijkt het type woning belangrijk. Vrijstaande huizen hebben relatief het vaakst zonnepanelen, terwijl tussenwoningen in absolute aantallen de grootste groep vormen. Woningen met een WOZ-waarde tussen de 600.000 en 1 miljoen euro hebben de hoogste adoptiegraad. Bij de allerduurste woningen neemt dat aandeel juist weer af.
Zonder woningcorporaties was het aandeel zonnepanelen nog lager
Woningcorporaties blijken een belangrijke rol te spelen bij het bereikbaar maken van zonnestroom voor huishoudens met lagere inkomens. Ongeveer 24 procent van de corporatiewoningen beschikte in 2024 over zonnepanelen. Daardoor profiteren ook huurders van lagere energiekosten. Zonder investeringen van woningcorporaties zou het aandeel zonnepanelen onder lagere inkomensgroepen aanzienlijk lager liggen.
In de particuliere huursector blijft de verduurzaming juist achter. Slechts ongeveer 12 procent van deze woningen heeft zonnepanelen. Omdat huurders niet zelf kunnen investeren in panelen, zijn zij afhankelijk van verhuurders.
Ongelijkheid is groot
Het CPB keek ook naar de combinatie van zonnepanelen met andere duurzame technologieën. Daarbij wordt de ongelijkheid nog duidelijker zichtbaar.
Ondanks jaren van stimuleringsbeleid beschikt de meerderheid van de Nederlandse huishoudens nog altijd niet over duurzame technologie. Eind 2024 had ruim 61 procent van de huishoudens geen zonnepanelen, warmtepomp of elektrische auto. Volgens het CPB blijft een volledig geëlektrificeerd huishouden daarmee voorlopig vooral een mogelijkheid voor de meest welvarende Nederlanders.



















