©Unsplash

©Unsplash

Deze energiemaatregelen leggen de kloof tussen arm en rijk bloot

1Reacties

Wie geld heeft, kan geld besparen. Dat klinkt misschien wrang, maar binnen de energietransitie lijkt dat steeds vaker de werkelijkheid. Met voldoende financiële ruimte kun je immers makkelijker investeren in zonnepanelen, een elektrische auto en een thuisbatterij. Allemaal technologieën die je meer grip geven op je energierekening en kunnen helpen om geld te besparen.

Mensen met een lager inkomen kunnen dit soort investeringen juist veel minder vaak doen. Zij zijn daardoor sterker afhankelijk van wisselende energieprijzen en kunnen minder profiteren van technologie waarmee die afhankelijkheid juist kleiner wordt. Hoeveel energie ze verbruiken, is daardoor vaak de enige knop waaraan ze kunnen draaien.

Zo ontstaat wat ook wel de energiekloof wordt genoemd: het verschil tussen mensen die wel en niet kunnen profiteren van de mogelijkheden die de energietransitie biedt. Die kloof lijkt bovendien steeds groter te worden. Nieuw onderzoek van de ANWB laat namelijk zien dat bovenmodale huishoudens veel vaker hebben geïnvesteerd in energiebesparende maatregelen dan huishoudens met een benedenmodaal inkomen.

Vooral hogere inkomens investeren in energiebesparende maatregelen

Zo heeft 47 procent van de bovenmodale huishoudens zonnepanelen op het dak, tegenover 26 procent van de benedenmodale huishoudens. Bij elektrische auto’s is het verschil nog groter: 17 procent van de bovenmodale groep heeft er een, tegenover slechts 5 procent van de huishoudens met een benedenmodaal inkomen. Maar ook bij meer traditionele manieren om energie te besparen zijn de verschillen stevig. Zo heeft 60 procent van de bovenmodale huishoudens de woning geïsoleerd, tegenover 38 procent van de benedenmodale groep.

Bij thuisbatterijen is het verschil voorlopig wat kleiner, maar nog altijd zichtbaar. Van de bovenmodale huishoudens heeft 10 procent al een thuisbatterij, tegenover 7 procent van de huishoudens met een lager inkomen. Van alle thuisbatterijbezitters heeft 47 procent een bovenmodaal inkomen, terwijl 31 procent tot de benedenmodale groep behoort. Omdat beide inkomensgroepen in het onderzoek ongeveer even groot zijn, zijn hogere inkomens ook hier duidelijk oververtegenwoordigd. De kloof is dus kleiner dan bij elektrische auto’s, maar de thuisbatterij doorbreekt het patroon niet.

Ook je woning bepaalt of je kunt verduurzamen

Dat bovenmodale huishoudens vaker kunnen investeren, is volgens het onderzoek overigens niet alleen een geldkwestie. Ook de woonsituatie speelt een belangrijke rol. Van deze huishoudens heeft 81 procent een koopwoning. Bij de benedenmodale inkomens is dat slechts 32 procent. Ruim de helft van die laatste groep woont in een sociale huurwoning. Als huurder kun je niet zomaar je woning isoleren, zonnepanelen plaatsen of een thuisbatterij installeren. Het draait dus niet alleen om de financiële mogelijkheden, maar ook om de zeggenschap over je woning.

Dat kan mede verklaren waarom benedenmodale huishoudens sterk oververtegenwoordigd zijn onder de mensen die nog in geen enkele energiemaatregel hebben geïnvesteerd. Van deze groep heeft bijna de helft een benedenmodaal inkomen. Daar komt bij dat de helft van alle benedenmodale huishoudens vreest door stijgende energieprijzen in financiële problemen te komen. Bij bovenmodale huishoudens geldt dat voor een derde. Juist de mensen die het gevoeligst en bang zijn voor prijsstijgingen, hebben dus de minste mogelijkheden om zich daartegen te beschermen.

Middeninkomens staan op een kantelpunt

En hoe zit het dan met de middeninkomens? Nou, de ANWB verwacht juist de grootste beweging bij deze groep. In dit onderzoek zijn dat huishoudens met een bruto jaarinkomen tussen 44.000 en 52.000 euro. Deze groep heeft tot nu toe niet vaker dan gemiddeld geïnvesteerd, maar toont wel de grootste bereidheid om dat alsnog te doen. Zo overweegt 35 procent binnen tien jaar een elektrische auto te kopen en denkt een even grote groep aan een thuisbatterij. Isolatie en zonnepanelen volgen met respectievelijk 29 en 25 procent.

Volgens de ANWB staan middeninkomens daarmee op een kantelpunt. Ze beschikken meestal over voldoende kennis en vinden de energietransitie belangrijk, maar worden nog tegengehouden door hoge aanschafkosten, onduidelijke terugverdientijden en onzeker overheidsbeleid. Met gerichte subsidies, duidelijke langetermijnplannen en een beter elektriciteitsnet kan deze groep de stap maken van energie besparen naar daadwerkelijk investeren. Daarmee kunnen middeninkomens volgens de ANWB niet alleen hun eigen energierekening verlagen, maar ook een belangrijke impuls geven aan de energietransitie.