© NASA/JPL-Caltech

Nederlandse technologie moet vroegste sterrenstelsels zichtbaar maken
NASA wil met de ruimtetelescoop PRIMA het heelal bestuderen in ver-infrarood licht, een vorm van warmtestraling die sterrenkundigen tot nu toe nauwelijks konden waarnemen. De Rijksuniversiteit Groningen (RUG), het Nederlandse ruimteonderzoeksinstituut SRON en TU Delft zouden de belangrijkste onderdelen van de hoofdcamera kunnen bouwen.
SRON en TU Delft zijn de beoogde leveranciers van de detectoren van die camera, PRIMAger genaamd, en van de behuizing en isolatie eromheen. Het gaat om piepkleine supergeleidende sensoren die, afgekoeld tot vlak boven het absolute nulpunt, uiterst zwakke warmtestraling kunnen opvangen.
De RUG en SRON willen daarnaast een speciale filter maken die van de detectoren een kleurencamera maakt. Die filter laat op elke plek een andere 'kleur' ver-infrarood door. Zo kan de camera golflengtes uit elkaar halen zonder zwaar prisma. Dat bespaart ruimte en gewicht.
Een blinde vlek
Sinds de Europese Herschel-telescoop in 2013 stopte, kijkt geen enkele ruimtetelescoop nog in ver-infrarood. Dat is ook niet eenvoudig: een telescoop op gewone temperatuur zendt zelf warmtestraling uit en verblindt zo zijn eigen camera. Daarom koelt PRIMA zijn spiegel af tot 4,5 kelvin, amper 4,5 graden boven het absolute nulpunt.
Om het jonge heelal te bestuderen is dat licht van groot belang. De vroegste sterrenstelsels zitten verstopt in stofwolken die gewoon licht tegenhouden. Infrarood gaat er wel doorheen en omdat het heelal uitdijt, wordt dat licht onderweg uitgerekt tot ver-infrarood. Astronomen willen met PRIMA ook onderzoeken hoe planeten ontstaan, hoe sterrenstelsels en hun superzware zwarte gaten samen groeien en waaruit het stof in de ruimte bestaat. Volgens NASA kan de telescoop zelfs helpen verklaren waar het water op aarde vandaan komt.

















